Regelmatig laten WBS-medewerkers van zich horen in de media. Op vrijdag 6 oktober verscheen een bijdrage van René Cuperus op de opinie-pagina van NRC Handelsblad. Hieronder volgt de onverkorte weergave.
Hoeveel lichtzinnigheid kunnen we ons veroorloven?
De uitslag van de Duitse verkiezingen heeft laten zien dat het naoorlogse politieke stelsel op zijn grondvesten schudt. De grote volkspartijen kalven af. Het politieke midden fragmenteert. Niet alleen scoorde de Duitse SPD een all-time-low nederlaag, ook die Union van bondskanselierin Angela Merkel leed een historisch verlies. De stemmen gingen naar de geprofileerde flankpartijen, weg uit het politieke centrum. Er was vooral ook sprake van een lage opkomst. Kiezers bleven ongemobiliseerd thuis. Wat volgens Duitse onderzoekers zou duiden op grootscheepse Politikverdrossenheit: een groot ongenoegen met de (gevestigde) politiek.
Nederland geldt in de ons omringende landen al langer als een grimmig laboratorium van het grote politieke onbehagen. Er wordt zenuwachtig naar de politieke lotgevallen van ons land gekeken. Is Nederland een op zichzelf staand geval van hysterische gekte of is het toch Europa’s voorland? De Nederlandse politiek is voor buitenlanders een speeltuin van politieke noviteiten. Je kunt het zo gek niet bedenken of het komt in het Nederlands parlement voor. Links-populistische partijen, rechts-populistische partijen in alle soorten en maten, een partij voor de dieren, clientèlepartijen voor academici. Dat komt omdat ons politieke systeem geen districtenstelsel en geen kiesdrempel heeft, waardoor de voorkeuren en bewegingen van het electoraat één-op-één geregistreerd en gerepresenteerd kunnen worden.
Men zou die grillige bewegingen van het electoraat, en de erosie van de brede volkspartijen die daarmee gepaard gaat, kunnen zien als teken van geslaagde emancipatie, ontvoogding en individualisering. Zoals in de krantenkiosk de kranten en algemene publiekstijdschriften totaal weggedrukt worden door op de persoonlijke maat toegesneden tijdschriften, zo ook ligt het niet voor de hand dat in een geïndividualiseerde samenleving de volkswil zich laat kanaliseren in grote, ouderwetse collectieve bewegingen.
Maar dit rooskleurige beeld van een democratie van tevreden geëmancipeerde burgers wordt keihard onderuit gehaald door de revolte van het Grote Ongenoegen. Door de opmars van rechts-populistische partijen die een frontale aanval doen op de opinies en praktijken van de gevestigde politiek.
We zitten in Nederland wat dat aangaat in een rare stilte voor de storm. Een partij van een politicus die nota bene persona non grata in Engeland is, is in de peilingen al tijden vrijwel de grootste partij van Nederland. En peilingen, zelfs die Van Maurice de Hond, zijn tegenwoordig waarheidsgetrouwer dan we durven toegeven. Zie de Europese verkiezingsuitslag.
Op die blijvend hoge score van de PVV in de peilingen wordt, vreemd genoeg, eigenlijk weinig alarmistisch gereageerd. Hetzelfde geldt voor de uitkomst van het onderzoek van NRC Weekblad van zaterdag naar de opvattingen van de PVV-kiezer. Ook daarop weinig opgewonden reacties. Dat is vreemd, met name voor diegenen die in de PVV van Wilders ronduit een fascistische beweging willen zien. Zoals bijvoorbeeld Nexus-directeur Rob Riemen afgelopen zaterdag omstandig in deze krant deed. Die heeft dan te verklaren hoe het kan dat een ‘fascistische beweging’ zo’n beetje de grootste partij van Nederland dreigt te worden. Dan is dus of half Nederland ’fascistoïde’ geworden en rijp voor massale heropvoeding op de Nexus-conferenties van Riemen, of er is iets anders aan de hand.
Het laat in elk geval zien hoe sterk we met het Wilders-fenomeen in onze maag zitten. Wilders, die met zijn ‘kopvoddentaks’ het dieptepunt van de Nederlandse politieke beschaving natuurlijk wel zo’n beetje bereikt heeft, staat ons favoriete zelfbeeld van Nederland in de weg: dat van een tolerant, vooruitstrevend, gastvrij en nieuwsgierig land. Geen wegkruipen achter de dijken. Weg met die verkrampte angst voor het vreemde en onbekende. Nederland moet de wereld weer omhelzen en vice versa. Wilders besmeurt, o ironie, onze trots op Nederland. Velen zouden het liefst, als bij een computer, de systeemdatum van Nederland weer terugzetten naar 1999, de tijd van voor Fortuyn en de klonen en epigonen van de Fortuyn-beweging, toen alles nog leuk en gezellig was.
Dat nu zou een totale miskenning zijn van de grote spanningen waar onze samenleving in heftige overgang mee wordt geconfronteerd, en waarop die ‘populistische’ bewegingen een even verklaarbare als grimmige reactie vormen. En niet alleen in Nederland. De globaliseringsangst en het immigratietrauma waarmee Nederland zo opzichtig worstelt - en waar Wilders als een wilde rattenvanger van Hamelen mee aan de haal gaat -, teisteren ook alle ons omringende landen. De naoorlogse Europese middenklassensamenlevingen staan, of men dat nu leuk vindt of niet, onder een enorme druk van globalisering, massamigratie en veranderde economische en culturele patronen. En dat gaat gepaard met spanning en sensatie. En met veel sociale wrijving en schuring.
Dat is precies wat dat verontrustende NRC Weekblad-onderzoek ons laat zien. Verontrustend omdat de opvattingen van de PVV-aanhang niet mijlenver afwijken van die van de gemiddelde Nederlander. En uit die opvattingen rijst een even naargeestig als indringend ‘eigen volk-eerst’-ressentiment op, dat zowel bestreden als begrepen moet worden. ‘Solidariteit is diefstal’, zo vat de NRC het onderzoek samen. ‘Rijk en arm voelen zich gepakt. Arm kan bijna niet rondkomen, rijk wordt bestolen via de belastingen. Geld waar zij recht op menen te hebben, verdwijnt volgens hen al decennia via Den Haag in een bodemloze put. Ze noemen: asielzoekers, ontwikkelingshulp, de Europese Unie, Polen, Bulgaren en Roemenen, de JSF, de Betuwelijn, Uruzgan, de publieke omroep, de banken, de euro, de verkwistende managers in zorg en onderwijs’.
Uit het Synovate/NRC-onderzoek spreekt een diep wantrouwen tegenover ’de’ politiek, een verloren samenleving-gevoel, een gefrustreerd idee van sociale unfairness en xenofobie tegenover alles wat vreemd, onbekend en buitenwereld is. Is dit het mens- en wereldbeeld dat twee decennia neoliberale marktsamenleving heeft voortgebracht? Is dit de reactie van een verwende consumentensamenleving op vermeende indringers en profiteurs? Is dit de morele kaalslag die een arrogante en hypocriete ‘linkse kerk’ van academische elites heeft achtergelaten? Of gaat het om een algeheel oriëntatieverlies van mensen in een samenleving op drift, om groepen die zich bekneld menen te voelen in een samenleving die er niet beter, maar slechter op wordt?
Rechtsfilosofe Dorien Pessers heeft eens gezegd dat de ‘oorzaken van een verschijnsel als Wilders mede gezocht moeten worden in de harde effecten van het neoliberalisme, dat een breed gedragen gevoel van onbehagen heeft opgeleverd. De razendsnelle modernisering, de permanente veranderingen in de arbeidssfeer, het tomeloze consumentisme, de commercialisering van het publieke domein en de prestatie- en afrekencultuur in het algemeen, maken mensen opgejaagd, gespannen en ongelukkig. Als dat onbehagen politiek niet verstandig wordt gekanaliseerd, dan wordt er een zondebok gezocht.'
Als dat waar is, dan komt Geert Wilders en de zijnen een grote verantwoordelijkheid toe duidelijk te maken dat zijn ’politiek van de woede’ niet in conflict komt met de waarden die horen bij een open economie en een democratische en tolerante maatschappij.
Daartegenover heeft de gevestigde politiek, het huidige kabinet voorop, de dure plicht zich rekenschap te geven van de riskante opstand van het grote ongenoegen. Dat is er met de financiële crisis en de ingrijpende gevolgen daarvan alleen nog maar complexer en alarmerender op geworden. Zeker nu het populistische verhaal van ’maatschappelijke neergang’ nog bewaarheid en ingevuld dreigt te gaan worden ook, door grootscheepse bezuiniging en sanering. Het wordt een regelrechte ramp als de 35 miljard-operatie van de ambtenarencommissies alleen maar in het teken komt te staan van afbraak, kaalslag en publieke armoede. Het moet er de politiek van de gematigden alles aan gelegen zijn om het redesign van Nederland te verbinden met een hernieuwd vooruitgangsgeloof, juist ook voor niet internationaal aangehaakte academici. Met minder geld onze samenleving beter laten functioneren: met die kunstgreep moet nieuw politiek vertrouwen worden gewonnen. Het bestrijden van (de voedingsbodem van) ’hedendaags populisme’ kan niet lichtzinnig aan ambtenaren worden uitbesteed, maar is de existentiële kernopdracht van politici in turbulente tijden.
