Wiardi Beckman Stichting logo

Zoek publicaties

Auteur
auteur arrow
Trefwoord
trefwoord arrow
Categorie
Periode
tot
en
met
Wereldburgerschapslezing René Cuperus

Op 11 september hield René Cuperus in Dordrecht de eerste Wereldburgerschapslezing voor COS Nederland, de landelijke vereniging voor Centra van Ontwikkelingssamenwerking, onder de titel 'De secularisering van ontwikkelingssamenwerking'.

De secularisatie van ontwikkelingssamenwerking

’Wie één mens het leven redt, redt de wereld’ (Joods gezegde)


Dames en heren,


Het is me een grote eer en genoegen om hier vanmiddag de eerste COS Wereldburgerschaplezing te mogen houden. Dat ik daarvoor werd uitgenodigd was, eerlijk gezegd, eerst wel even schrikken. Ik dacht heel even dat die uitnodiging een grap was. Wie was er op het idee gekomen om juist mij, auteur van dit boek De wereldburger bestaat niet de Wereldburgerschapslezing te laten houden? De eerste nog wel. Dat is alsof je een slager vraagt een verhaal te houden bij de vegetariërsbond, of een atheïst uitnodigt als prekende dominee in een streng gereformeerde kerk. Maar na een wijntje of twee op een terrasje met COS-baas Dorothé Appels begon het me te dagen waarom het toch wel eens een spannend idee zou kunnen zijn om naar Dordrecht te komen.

Laat ik het zo zeggen: Het is misschien voor mij moedig om hier zogenaamd in het hol van de leeuw te staan, als ‘wereldburger-ontkenner’ ben ik immers te gast bij een club die juist het bevorderen van wereldburgerschap als haar opdracht en missie ziet. Maar voor Dorothe Appel en COS Nederland is het minstens zo moedig om een spreker te bestellen met een tegendraads verhaal. Dat vind ik zeer te prijzen. Dat de COSSEN zelfkritisch in de spiegel durven te kijken. Daar word je uiteindelijk sterker door. En het is natuurlijk voor een draagvlakclub als het COS van groot belang de kritische blik van buiten toe te laten en te verdisconteren in het werk. Juist omdat een draagvlakclub per definitie buiten de kring van experts en ingewijden moet treden, buiten het ons-kent-ons-inteelt-wereldje van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. En het COS treedt buiten die oevers. Gaat contacten aan met niet-ingewijden (scholen, bedrijven, maatschappelijke organisaties), en komt dus ook in aanraking met gebrek aan kennis, met kritiek, vooroordelen, met weerstanden en onverschilligheid rondom ontwikkelingssamenwerking, en moet daar een passende reactie op hebben.

Wat dat betreft heeft u vanmiddag aan mij een goede. Ik ben allesbehalve een insider in het ontwikkelingswereldje. Dat heeft zijn voor- en nadelen. Het voordeel voor u – experts, professionals en ervaren rotten uit de praktijk - is dat als ik vanmiddag ongemakkelijke dingen zeg, of ronduit ongeïnformeerde nonsens sta te verkondigen, u dat gemakkelijk naast u neer kunt leggen. Ach, wat weet zo’n buitenstaander nu precies van ons werk. Maar het nadeel is, juist omdat ik geen insider ben, dat ik daarmee dichter bij de gemiddelde Nederlander sta, bij de belastingbetaler die niet de geheimtaal van de ontwikkelingssamenwerkingsector en de ngo-wereld spreekt, maar om wiens draagvlak en mondiale bewustwording het wel allemaal te doen is. En die gemiddelde Nederlander moet in dit tijdsgewricht waarin – helaas - het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking meer dan ooit op de tocht staat, zeer serieus genomen worden, en opnieuw meegenomen worden in het grote verhaal over het hoe en waarom van mondialisering, internationale solidariteit en OS.

Laat ik maar direct met de deur in huis vallen: Mijn stelling vandaag is dat het verhaal over nut en noodzaak van ontwikkelingssamenwerking opnieuw uitgevonden moet worden. De overtuigingskracht van dat verhaal is bij grote delen van de bevolking aan het wegglijden. Er is, net als bij de politiek in het algemeen, sprake van een vertrouwenscrisis. Voor zover men al begaan is met armoede en conflict in de voormalige Derde Wereld, heeft men er weinig vertrouwen in dat ontwikkelingssamenwerking daar iets aan kan veranderen en wantrouwt men vooral die mensen die ‘namens ons’, onder het mom van goede bedoelingen en hoge morele pretenties, die ontwikkelingssamenwerking bedrijven. (Helemaal als zij armoedebestrijding iets te letterlijk op de eigen persoon betrekken: het Evelien Herfkens-syndroom, zullen we dat maar oneerbiedig noemen). Dat is een heftig gegeven. Het betekent simpelweg dat het product waarvoor het COS draagvlak zoekt opnieuw ter discussie staat: zin en onzin van Ontwikkelingssamenwerking (of internationale samenwerking tussen Noord en Zuid, zoals sommigen dat, geloof ik, tegenwoordig liever noemen). Het draagvlak daarvan staat politiek en maatschappelijk enorm onder druk, ja zelfs het draagvlak voor het nut van draagvlak zelf is aangetast.

Er is iets fundamenteels aan de hand. We leven in een tijd van heftige transformatie. Wake up. De idealistische jaren zeventig zijn voorbij. In plaats daarvan kampt Nederland met globaliseringsangst en een immigratietrauma. En dat heeft, of men het nu leuk vindt of niet, weinig met Wilders te maken, want deze verschijnselen tref je in vrijwel alle landen van Europa aan. Net zoals die andere naoorlogse heilige huisjes en politiek-morele vanzelfsprekendheden – de Europese eenwording en de multiculturele samenleving, moet ontwikkelingssamenwerking opnieuw worden beargumenteerd en verdedigd. Want net als voor Europa en immigratie, geldt dat het draagvlak veel fragieler is dan professionele elites zich ooit gerealiseerd hebben. Zo is de roemruchte draagvlakparadox van ontwikkelingssamenwerking – de meerderheid van de Nederlandse bevolking steunt massaal ontwikkelingssamenwerking, maar weet er nauwelijks iets vanaf en betwijfelt bovendien of het werkt – bij uitstek kwetsbaar voor onwelwillende aanvallen, bijvoorbeeld van populistische partijen.

We kunnen daar negatief en pessimistisch over doen. Negatief en vijandig tegen de populistische demagogen die tegen die heilige huisjes aantrappen en die debatten onbarmhartig openbreken, we kunnen ons beklag doen over een minder idealistische, egoïstische tijdgeest, maar mijn stelling vanavond is ook deze: jullie, de naar binnen gekeerde sector van ontwikkelingssamenwerking, heeft dit voor een deel ook over zichzelf afgeroepen. Door niet moedig genoeg zelfkritiek en zelfreflectie te bedrijven. Uit angst om het draagvlak aan te tasten en door onder camouflage van een hele grote morele paraplu (het schuldcomplex van het kolonialisme) een vergaande professionalisering, technocratisering en elitisering van ontwikkelingssamenwerking toe te staan. Die is daardoor nogal losgezongen geraakt van de gemiddelde Nederlander. En dat wreekt zich juist in deze tijd van globale transformatie, nu veel burgers oriëntatieloos en onzeker zijn geworden, in het bijzonder die mensen, vaak lageropgeleiden, die zich totaal afgehaakt voelen van de internationale opschaling van de wereld door global academic professionals. (Want de kloof tussen burger en politiek mag dan groot zijn, die tussen ngo-wereld en burgers is die onnoemelijk veel groter. Laat ik het simpel zo zeggen: de gemiddelde Nederlander heeft geen flauw benul van Millenniumdoelen, het Kopenhagen Proces, of zelfs de Dag van de Duurzaamheid). Hoe dan ook, een simpel beroep op wereldburgerschap en internationale solidariteit: daar komt niemand meer mee weg. Er is een nieuw verhaal nodig, een hernieuwde politisering.

Geen misverstand. Ik ben trots op de gouden ontwikkelingssamenwerkings-traditie van Nederland (van de beide Jannen, Jan Tinbergen en Jan Pronk) en ik ben ook trots op de traditie van sociaal-democratisch Scandinavië: vindt het een gotspe dat het in ons land het een linkse hobby en belastingverspilling wordt genoemd, om je druk te maken over armoede van de Bottom Billion en over onrechtvaardige machtsverhoudingen en ongelijkheden tussen Noord en Zuid. Maar ik zie meer dan ooit een verwijdering ontstaan tussen elites (om dat nare woord maar te gebruiken) die de globalisering omarmen en die zich, als wereldburger, met wereldproblemen bezighouden en niet-elites die zich juist meer dan ooit bedreigd voelen door de globalisering: dat is pas een echt gevaarlijke tijdbom onder het roemruchte draagvlak. Om opnieuw overtuigend de case te maken voor OS, zal het verhaal eerlijker verteld moeten worden (niet de hypocrisie van de 1 tegen 100-show, maar ook het ingewikkelde verhaal over oneerlijke wereldhandel en de WTO, en hoe de Franse politiek West-Afrika corrumpeert en vice versa), en met meer oog voor de veranderde context van globalisering, zowel hier als daar. OS zal uit de kring van ingewijden moeten worden getild. Breek de sector open. Stop met die hilarische controle en evaluatie-spiraal en het cijferfetisjisme. Weg van de onleesbare inspectierapporten, weg van de subsidietaal. Weer terug op de barricaden. Nieuwe politisering en beweging nodig. Dat is de enige manier om iets te doen aan het wegsmeltende draagvlak. Tot zover de stelling die ik hier vanmiddag betrek.

-------------

Voordat ik nu inga op de schoonheid en het gevaar van het wereldburgerschapsbegrip, eerst een paar cruciale observaties over, wat ik zie als, de draagvlakcrisis van Ontwikkelingssamenwerking. Het wegsmelten van het draagvlak is een gelaagd en complex verhaal. De erosie van het draagvlak heb ik eerder wel eens de onttovering van Ontwikkelingsamenwerking genoemd. Men zou het ook de secularisatie van ontwikkelingssamenwerking kunnen noemen. Een geloofscrisis.

Ik zie voor die geloofs- of draagvlakcrisis, grof genomen, drie ingrediënten of oorzaken:
1. Het feit dat ontwikkelingssamenwerking gedepolitiseerd is geraakt
2. De existentiële twijfel of hulp wel helpt
3. De heftige nieuwe context van globalisering, die een geheel nieuw licht werp op wereldburgerschap

Ik loop nu die drie oorzaken langs.
1. Ten eerste. Ontwikkelingssamenwerking is lange tijd gedepolitiseerd geraakt. Ze verloor daarmee haar ziel. Er is aan de ene kant sprake van een verdamping van het jaren zestig/zeventig idealisme over de hele linie: Derde wereldbeweging, vredesbeweging, vrouwenbeweging. Weinig beweging meer van over, des te meer stolling in organisaties, instituties, professionalisering en bureaucratisering. Dat is de prijs van het succes van deze bewegingen, maar heeft wel tot gevolg, een wegdrijven van actie en engagement. En daarmee is de ontwikkelingssamenwerking, of je het leuk vindt of niet, losgezongen en in zichzelf gekeerd geraakt, in netwerken van professionals en bestuurders die elkaar in subsidievoorwaardentaal gevangen houden. Dat wreekt zich keihard in een tijd als deze, waarin er sprake is van een algehele representatiecrisis tussen elites en bevolking. Men wantrouwt mensen en organisaties die ‘namens hen’ optreden, die hen indirect en filterend vertegenwoordigen. Dat geldt voor politieke partijen, vakbonden, kerken, kranten, en ook voor ontwikkelingsorganisaties. Die crisis in de vertegenwoordiging in onze geïndividualiseerde en geprofessionaliseerde samenleving (die meer en meer een vertegenwoordigingskortsluiting dreigt te worden tussen hoger- en lageropgeleiden), dat is een oorzaak van aangetast draagvlak, ook voor ontwikkelingssamenwerking.

En er is nog een tweede verschijnsel van depolitisering. Ontwikkelingssamenwerking is lange tijd gedepolitiseerd geweest in een onaantastbare politiek-correcte nationale consensus. Het vormt een deel van de prudent-progressieve, altruïstische zelfbeeld van Nederland, die terug te voeren is ook op de traumatische verwerking van de littekens van de geschiedenis. Heel kort door de bocht: OS was het antwoord op het schuldcomplex van kolonialisme, slavernij en racisme. OS redde kleine kinderen van de dood. OS was daarom moreel ongenaakbaar en onaanraakbaar. Maar ook wel een beetje onuitstaanbaar. Want door deze onaanraakbare moraliteit gold lange tijd een taboe op elke vorm van kritiek. OS was onderdeel van de cocon van politieke correctheid. Wie kon er nu tegen armoedebestrijding in de Derde Wereld zijn? Het gaat hier, vals gezegd, om een probleem van morele chantage: net als bij Europa (wie tegen Europese eenwording is, is voor een herhaling van de Tweede Wereldoorlog), en wie zich tegen multiculturalisme keerde was een racist of had weinig van de Holocaust begrepen). Zo ook lag er een zware morele hypotheek over ontwikkelingssamenwerking heen: de zware morele hypotheek van slavernij, imperialisme, kolonialisme, racisme, waardoor alles wat in naam van OS werd gedaan was goedgedaan, vertegenwoordigde het Goede.

Na Europa en de multiculturele samenleving wordt nu ook het heilige huisje van de ontwikkelingssamenwerking getest en beproefd. Er vindt een normalisatie en ontnuchtering plaats, deels ruig en demagogisch, deels verfrissend en heel noodzakelijk. In elk geval is het heilige draagvlak (zelfs de 0,8 procent) geen gegeven of verplichting meer, maar moet deze opnieuw politiek beargumenteerd en bevochten worden.

2. Ten tweede vindt er een permanente en systematische draagvlakondermijning plaats door de existentiële twijfel rondom de vraag of Ontwikkelingssamenwerking wel echt helpt? Die twijfel zit tot diep in het OS-wereldje zelf. De WRR is nu bezig olv Peter van Lieshout met een grootscheepse heroriëntatie op de missie van ontwikkelingssamenwerking en wat ik daar aan materiaal van gezien heb: wederom tamelijk ambivalent over effecten van ontwikkelingssamenwerking. Voor een deel gaat het dan natuurlijk om de grotere context van wereldhandel, internationale machtsverhoudingen, de Washington Consensus, remittances etc, waarbij ontwikkelingssamenwerking niet veel meer is dan een marginale aflaat bij die structurele verhoudingen en praktijken. En het lukt de OS-sector toch niet goed, zelfs niet in deze crisis van financieel kapitalisme a la de Washington Consensus, om de mainstream politiek van het Westen op dit punt te kritiseren en radicaliseren (Zo mist het coherentie-begrip, wat mij betreft, elke politiek mobiliserende wervingskracht: een vies notabegrip).

Wat draagvlak, met andere woorden, in de weg zit, is de enorme complexiteit en gelaagdheid van het ontwikkelingsvraagstuk en hoe daarmee wordt omgegaan. De complexiteit van ontwikkelingssamenwerking doet zich voor in uiteenlopende gedaanten: naast het structurele verhaal op het niveau van Washington Consensus en WTO is er het sterke marketingbeeld van OS (voor de fondsenwerving) via media-beelden van noodhulp, kleine projecten of War Child met Marco Borsato. Ook dat bemoeilijkt het draagvlak. En om het nog ingewikkelder te maken, OS zendt hele schizofrene signalen uit. Er lopen twee vertogen door elkaar heen: hulp helpt niet, sorteert contraproduktieve effecten. Maar haaks daarop staat een optimistisch verhaal van totale maakbaarheid: Jeffrey Sachs & de Millenniumdoelen: nog even en het hele probleem van onderontwikkeling is de wereld uit. Die schizofrenie komt tot uitdrukking in de, wat in de literatuur zo mooi de draagvlakparadox wordt genoemd: er is grote steun voor ontwikkelingssamenwerking, maar de kennis is zeer gering, en er is een gestaag afnemend vertrouwen in de effectiviteit van hulp. De meerderheid van de burgers is voorstander van hulp, maar twijfelt tegelijkertijd ernstig aan de doeltreffendheid ervan: 'Hulp moet, ook al helpt het niet.'

Dat wijst op een uiterst fragiel draagvlak. En laten we eerlijk zijn: mensen zijn niet gek. Men ziet dagelijks op TV wat voor mission impossible ontwikkeling het lijkt te zijn: denk aan Afghanistan, Irak. En dan kan men wel met de 3D’s aankomen, maar men mag wel 30 D’s aanslepen om ons te overtuigen van daadwerkelijke ontwikkeling in die landen. Maar ook dichter bij huis komt de dagelijkse realiteit van ontwikkeling naar voren op een manier die tot grote bescheidenheid noopt. Neem Suriname of ons eigen Koninkrijk, de Antillen. Hoe goed lukt ons daar ontwikkeling, good governance, rechtstatelijkheid? Of nog dichter bij huis: Amsterdam-West, Oost-Groningen? Iedereen ziet hoe complex ontwikkeling is, en net als bij het verzorgingsstaat-debat doet zich tegelijkertijd een ontnuchtering en verharding voor: men wenst gebrek aan ‘ontwikkeling’ niet alleen maar in termen van slachtofferschap te zien, maar ook in termen van eigen schuld en verantwoordelijkheid. Zie good governance, de corruptie-discussie, en het taboe van culturele verschillen.

3. Ten derde is een cruciale oorzaak voor de draagvlakcrisis: de veranderde politieke en maatschappelijke context waarin ontwikkelingssamenwerking plaatsheeft. En dan kom ik eindelijk bij het vraagstuk van wereldburgerschap. Cruciaal is het gegeven dat de voormalige Derde Wereld niet langer alleen maar zielig en hulpbehoevend is, maar bedreigend is geworden:

Economisch bedreigend: China, India, Brazilië.
Cultureel bedreigend: de islamitische wereld.
Of demografisch bedreigend: immigratiedruk vanuit Afrika en het Midden-Oosten.

Met andere woorden: De Derde Wereld als slachtoffer-ontvanger van hulp en goede bedoelingen is getransformeerd in een Derde Wereld dat de Oude Wereld zijn vooruitgangsgeloof lijkt te hebben ontnomen. Dat komt door het panische aanpassingsdiscours dat politieke en economische elites op zijn burgers afvuurt. Al zo'n kleine kwart eeuw worden we door politici, economen en experts in het kader van de neoliberale heilsleer doodgegooid met steeds dezelfde boodschap: bereid U voor op de totale globalisering. Grenzen tellen niet langer, kapitaal beweegt zich vrij over de hele wereld, dus mensen zullen dat voortaan ook moeten doen. Gij zult wereldburger zijn en wereldwijd opereren, of gij zult niet zijn! Onze politici roepen vrijwel elke dag dat Nederland de globale concurrentie niet langer alleen aankan, maar dat Europa tot één global player moet samensmelten om mondiaal te kunnen overleven, tegenover de economische bedreiging door India, China, Brazilië en de VS. Er wordt ons een algehele globaliseringsangst aangeblazen door de internationale elites: Europa kan niet mee in de nieuwe wereldorde. Onze multinationals lukt dat al niet (zie ABN Amro: dacht een global player te worden, maar werd zelf een Prooi), laat staan u als burger.

Wereldburger is, aldus, een bedreigend begrip geworden in de nieuwe context van neoliberale globalisering, bedreigend vooral voor diegenen die niet internationaal (denken te) kunnen aanhaken. De Derde Wereld wordt in de vigerende neoliberale ideologie als apocalyptische bedreiging gepresenteerd, waaraan wij ons allen hebben aan te passen. We zijn allemaal onderdeel geworden van de ratrace van Global competition. Wereldburgerschap: dat is Indiërs die je outsourced baan inpikken, als je je niet permanent schoolt. Of Chinezen die onze bedrijven komen overnemen. In plaats van een insluitend begrip (we zijn allemaal wereldburgers) is het een buitensluitend begrip geworden. Het is deze aldus gepresenteerde boodschap van wereldburgerschap, een plicht tot globalisering en mondialisering, die in toenemende mate zeer heftige en risicovolle tegenreacties en weerstanden oproept. En dan moet inderdaad gedacht worden aan de opstand van het populisme in Europa.

----------------------

Mijn boek De Wereldburger bestaat niet gaat over de ongemakkelijke en riskante oorzaken van de opmars van het populisme in Europa. Ik betrek daar de stelling: dat het populisme (van links, rechts en extreem-rechts) gezien moet worden als een opstand tegen de globalisering. En die opstand moet, juist omdat die riskant is, uiterst serieus worden genomen. Het Populisme is, kort door de bocht, een opstand tegen globalisering, tegen vermeende ontworteling, oriëntatieverlies, identiteitsverlies, tegen de zelfopheffing van natiestaten, tegen postindustriële kenniseconomie voor academici only. Het is tegen die achtergrond dat ik moeilijk doe, een probleem maak van het wereldburger-begrip. Dat is vast tot uw spijt (ook mijn collega’s en vrienden vinden het ongemakkelijk dat ik het wereldburgerschap van zijn ideële pracht beroof). U zult het misschien ook wel een prachtig begrip vinden. En natuurlijk hoeft u zich ook helemaal niets gelegen te laten liggen aan mijn redenering. Mijn enige bedoeling is u er voor te waarschuwen dat het prachtige wereldburgerschap-idee in de huidige tijd wel eens minder goed zou kunnen aanslaan, dan u misschien zou wensen, en waarom dat het geval is. Kosmopolitisme zou met name wel eens op minder steun en bewondering kunnen rekenen, bij de mensen die nu eenmaal het slechtst door professioneel georganiseerd Nederland bereikt worden, ook door een tweedelijnsorganisatie zoals de COS nu eenmaal is. Ik doel dan op de niet-bestuurders, ambtenaren, professionals, maar de gewone mensen uit de eerste lijn, die zich bedreigd weten door mondialisering.

Want laten we wel wezen: wereldburgerschap klinkt prachtig, maar is een begrip met een gekleurde lading. De meeste mensen die zich wereldburger noemen zijn vaak wereldburger van geboorte. Je moet toch tenminste één buitenlandse ouder hebben, uit een expat- of diplomatiek milieu stammen, internationale scholen bezocht hebben, ouders gehad hebben die werknemer waren van een multinational of daar zelf medewerker van zijn geweest, lang op een buitenlandse universiteitscampus gewoond hebben, of een buitenlandse carrière achter de rug hebben, wil je aanspraak kunnen maken op het zelfbeeld van wereldburger? Dit zijn de zogenaamde pioniers, de trendsetters van het kosmopolitisme, de early adapters van de globale wereld uit de Peter Stuyvesant-reclame. Dat zijn de wereldburgers aan de bovenkant. Inderdaad: Prinses Maxima.

Er is ook een hele andere wereld van wereldburgers. Dat zijn de kosmopolieten van de onderkant: Filippijnse kindermeisjes in Koeweit; uitgebuite Bulgaren in de kassen van het Westland; illegale Chinese mensensmokkelaars; Afrikaanse vluchtelingen dobberend op de Middellandse Zee. Dat zijn de kosmopolieten van de onderkant. Wereldburgerschap (of wat daar voor door moet gaan) gaat per definitie met grote ongelijkheid gepaard. Wereldburgerschap is een exclusiviteit van the happy few of een exclusiviteit van een nieuw rondreizend ‘precariaat’, mensen die leven in precaire omstandigheden op basis van precaire baantjes op steeds wisselende lokaties. Wat zich aftekent is een splitsing tussen mensen die wel internationaal kunnen aanhaken en zij die niet internationaal kunnen aanhaken, tussen nationaal, lokaal gebonden burgers en niet-nationaal, lokaal gebonden burgers. In de vakliteratuur maakt men onderscheid tussen ‘meertalige mobielen’ en ‘enkeltalige, plaatsgebonden immobielen’. De ideologie van wereldburgerschap dreigt de thuisblijvers te declasseren. Het kosmopolitisme produceert tweederangsburgers. De samenleving dreigt te splijten in zij die mee kunnen, hogeropgeleide, mobiele flexibelen, die internationaal kunnen aanhaken en zij die dat niet kunnen. Er treedt met andere woorden een harde scheiding op tussen globobaliseringswinnaars en globaliseringsverliezers tussen landen en binnen landen.
Het kosmopolitisme-begrip in die context zwaar aanzetten dreigt de valse culturele ideologie van de neoliberale globalisering te worden, van de dominante Angelsakische businesscultuur.

Dit is the point: met de globalisering is de context van kosmopolitisch denken geheel veranderd.`Terwijl het kosmopolitisme zich vroeger te weer stelde tegen bekrompen provincialisme en nationalisme, zien sommigen het tegenwoordig eerder als een vorm van oppervlakkig ‘globalisme’ en een legitimering van het onmogelijk leven als sociale nomade. Kosmopolitisme, zo gezien, ontkent het verlangen naar betekenisvolle hechtingen en verbindingen van mensen. En inderdaad. Men kan het Alle Menschen werden Bruder zingen en formuleren dat alle wereldburgers moreel tot elkaar verplicht zijn, maar als dat geen heldere consequenties heeft of kan hebben, dan dreigt een leeg kosmopolitisme over te blijven. Dan resteert een hol retorisch wereldburgerschap. Sterker nog: als het waar is dat een politieke democratie op basis van volwaardig burgerschap alleen kan bestaan bij de gratie van een begrensde republiek van burgers, als beperkte politieke gemeenschap, dan is het oprekken daarvan tot het niveau van de wereldgemeenschap van 6 miljard mensen een verraderlijk fata morgana. En als het waar is dat ook een solidaire verzorgingsstaat als rechten en plichten-gemeenschap louter kan bestaan bij de gratie van een beperkte gemeenschap op beperkte schaal, dan moet men oppassen illusies te wekken. Men kan niet de al tamelijk fragiele lotsgemeenschappen van mensen in democratieën en verzorgingstaten oneindig oprekken in termen van wereldsolidariteit en mondiaal burgerschap, want daarmee loopt men, geheel contraproductief, het gevaar om de reëel existerende modellen van ‘sociale democratie’ te ondermijnen.

Zes miljard mensen als dorpscollectief betitelen lukt nog wel op beamer-schermen, aan internationale vergadertafels en in WTO-beleidsdocumenten, maar is vanuit individueel moreel oogpunt natuurlijk uiterst problematisch, zo niet surrealistisch. Hier stuiten we op het aloude adagium: wie de mensheid ziet, ziet de mens, zijn naaste, niet staan. Men kan zich inderdaad afvragen of kosmopolitisme niet een vlucht voor daadwerkelijke verantwoordelijkheid dichtbij met zich meebrengt. Paul Scheffer heeft wel eens gezegd dat de kwetsbaarheid van het kosmopolitisme is dat het beschavingsideaal 'iedereen is in beginsel overal voor verantwoordelijk' gemakkelijk kan verloederen in een praktijk van 'niemand is ergens meer voor verantwoordelijk'. Een schrikbeeld van onze tijd is dat tegenover een bovenlaag van wereldburgers, een groeiende massa ontstaat die zich in de steek gelaten voelt en zich wrokkig opsluit in een 'eigen volk eerst'. Dat is een polarisatie die we ten allen tijde willen voorkomen, willen we ons type samenleving overeind kunnen houden.

Het gaat in the end om het zoeken van een balans tussen morele verantwoordelijkheid voor mede-wereldburgers (denk aan mensenrechtenschendingen, noodhulp) en politiek burgerschap in een democratie, die zich niet mondiaal laat denken. Een balans die niemand minder dan president Obama onlangs zo verwoordde: 'Het idee een wereldburger te zijn paste op de een of andere manier niet bij mij. Ik zocht mijn wortels in een Amerikaanse stad en een Amerikaanse context en wilde van daaruit verder.' Tot zover Obama, die we toch altijd als rolmodel van wereldburgerschap beschouwen.

=================

SLOTBESCHOUWING

Ik rond af, want ben al lang genoeg aan het woord geweest. Er komt nog een mooie afscheidsreceptie met borrel voor Wiard Molenaar, die ik niet wil ophouden. Op dit tijdstip van de dag krijgen mensen enorme honger en dorst. Een enkele conclusie tot slot over draagvlak en wereldburgerschap. Veel van mijn verhaal draaide om een groot Draagvlak Dilemma: Dat draagvlakdilemma luidt als volgt: hoe eerlijk, genuanceerd en complex kunnen we zijn over ontwikkelingssamenwerking, zonder het draagvlak op het spel te zetten? Huilen we niet mee met de cynische wolven in het bos als we al te negatief zijn over de effecten van ontwikkelingssamenwerking? Produceren we zo zelf niet een negatieve beeldvormingspiraal die het draagvlak van ontwikkelingssamenwerking dreigt te vernietigen? Of redden we juist het draagvlak door glashelder te zijn over de grenzen, effecten, beperkingen en blunders van ontwikkelingssamenwerking? En vernietigen we juist het draagvlak door ontwikkelingssamenwerking angstvallig als heilig bastion af te schermen van kritiek door buitenstaanders, daarmee de schijn van verdenking op zich ladend dat men onder de vlag van internationale solidariteit en wereldburgerschap vooral de eigen ontwikkelingsindustrie, met belangen, baantjes en status, in stand wil houden? Dat lijkt me het draagvlakdilemma. Nogmaals, ik ben geen insider in de wereld van ontwikkelingssamenwerking, maar heb wel sterk het gevoel dat over dit dilemma veel fundamenteler nagedacht moet worden.

Zoals ik in mijn lezing heb proberen aan te geven, is er sprake van een grote draagvlakcrisis. Om uiteenlopende redenen, maar toch. De Nederlandse traditie en identiteit van internationale solidariteit staat op het spel. En het behoud daarvan zal strijd, moed en onorthodox denken en handelen vergen. Het draagvlak (zoals we dat bij Europa en de multiculturele samenleving hebben kunnen zien) steunt veel meer dan men zich heeft willen realiseren, op een professionele consensus van elites, die niet heel diep penetreert in de bevolking. Dat zegt, eerlijk vastgesteld, ook wel iets over het succes, het effect en het bereik van de draagvlakorganisaties in Nederland. Dat zou men zich in sterke mate moeten aantrekken.

De combinatie van steun en wantrouwen die bij de meerderheid van de bevolking ten opzichte van ontwikkelingssamenwerking bestaat, waarbij de sector zelf gedomineerd wordt door goedbedoelende professionele beleids- en hulpelites, blijkt een kwetsbare mix, nu deze getest en beproefd wordt door populisten van links en van rechts. Nogmaals, wie de Nederlandse traditie van internationale solidariteit en ontwikkelingssamenwerking wilt behouden, zal zowel bij projecten en samenwerking in de ontwikkelingslanden zelf, als in eigen land, de bakens moeten durven verzetten. Wie het heilige huisje van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking wil behouden en versterken, en de draagvlakcrisis te lijf wil gaan, moet niet te kinderachtig zijn met de heilige huisjes binnen de eigen sector. En als buitenstaander krijg je nu net die indruk. Dat de ontwikkelingssector met al zijn organisaties, belangen en overlappende activiteiten nogal sterk op zichzelf gefocused is. Naar binnen gekeerd. Niet uitblinkend in zelfkritiek en zelfreinigend vermogen. Daar is natuurlijk wel enig begrip voor op te brengen, nu men maatschappelijk onder druk staat en politiek in het defensief, en nu heroriëntatie en bezuinigingen hand in hand op de sector dreigen af te komen. Maar toch brengt deze defensieve egelstrategie, te zeer gericht op behoud van de eigen organisatievormen en modellen, een groot risico met zich mee: want daarmee dreigt men de draagvlakcrisis eerder te versterken dan te ontregelen of te bestrijden.

Ik denk dat, alles bijeen genomen, de modernisering van de ontwikkelingssamenwerking waarmee minister Bert Koenders bezig is, gesteund moet worden. Die modernisering zou, wat mij betreft, nog wel iets scherper en radicaler geprofileerd mogen worden, maar dat kan de minister en het ministerie misschien ook niet alleen. Zou de sector zelf niet over zijn eigen schaduw heen moeten springen en munitie moeten aandragen voor die modernisering, juist nu er (nog) een minister zit met het hart op de goede plaats voor OS? Beter dan een gevecht van allen tegen allen, of van de sector tegen de minister, zou de zaak zelve centraal moeten staan: het herstel van geloofwaardige internationale solidariteit, daar en hier. Juist wie het draagvlak ter harte gaat, moet kiezen voor een onorthodoxe vlucht vooruit .

Mijn gevoel zegt me dat COS Nederland, juist omdat ze tamelijk lokaal georganiseerd is, bij zo’n nieuwe benadering van ontwikkelingssamenwerking nog wel eens van groot belang zou kunnen zijn. Mits ze niet langer alleen een tweedelijnsorganisatie is, maar juist op zoek gaat naar éérstelijns-gesprekken en confrontaties over mondialisering en internationale solidariteit. Op scholen en met de aanhang van Wilders, en in de winkels waar we onze kleren kopen van de hongerlonen van uitgebuite Indische arbeiders. Dat is wat ik bedoel: voor het herwinnen van het draagvlak voor internationale samenwerking, zal men meer uit de kantoren moeten komen, de barricaden op. Minder obsessie met subsidiëring, meer strijd, politisering en beweging. Want de globalisering van vandaag de dag is te weinig ‘proletariërs aller landen, verenigt u, maar kosmopolieten aller landen verenigt u'. Dat is wat voor mij de glans van het wereldburgerschap af haalt.

Ik dank u voor uw aandacht.